Homeopathie ontdekt

Hoe kwamen (en komen) artsen er toch toe om op een gegeven moment homeopathie toe te gaan passen in hun praktijk? Laten we even een duik in de geschiedenis nemen:

Samuel Hahnemann, de briljante Saksische arts en scheikundige, was ontevreden met de prestaties van zijn collega-artsen en met de kwaliteit van de apothekers van die tijd (begin 19e eeuw), hij schreef het Apothekerslexicon dat al gauw het standaard naslagwerk voor apothekers werd; op zijn verdere zoektocht naar betere en veiliger medicijnen ontdekte hij een bereidingswijze waarbij een minimale hoeveelheid van het geneesmiddel een maximaal genezend effect bleek te hebben, zo ontstond de homeopathische geneeskunde.

James Tyler Kent
In de loop van de 19e eeuw vestigden veel leerlingen van Hahnemann zich in de Verenigde Staten en zij namen de nieuw verworven kennis over homeopathie met zich mee, die ze meteen met succes konden toepassen bij epidemieën als gele koorts (een traditionele plaag in de zuidelijke staten). Dokter Kent, een befaamd arts uit St. Louis, maakte rond 1880 kennis met de homeopathie via de wonderbaarlijke genezing van zijn vrouw die al jaren zonder resultaat werd door de collegae van haar man, maar pas na behandeling van een homeopathisch arts genas. Dokter Kent was hiervan zo onder de indruk dat hij zich verdiepte in alles wat op dat moment over homeopathie bekend was: dat betekende het begin van een lange carrière als homeopathisch arts, schrijver van vele boeken (zijn Repertorium van de homeopathische Materia Medica wordt nog steeds over de hele wereld gebruikt) en als professor aan de homeopathische universiteiten van Chicago en Philadelphia.

J. Compton Burnett
In dezelfde periode aan het eind van de 19e eeuw was dokter Burnett arts op de kinderafdeling van een Londens ziekenhuis; hij voelde zich gefrustreerd dat hij niet kon voorkomen dat veel kinderen stierven aan koortsende ziektes, vooral longontsteking; een collega raadde hem een paar homeopathische boeken aan, waarin het middel Aconitum (gemaakt van de Monnikskapplant) beschreven werd; hij nam de proef op de som door de ene helft van de binnengebrachte kinderen Aconitum te geven en de andere helft niet; toen dag in dag uit de Aconitum-kinderen snel koortsvrij bleken te zijn en nauwelijks complicerende infecties kregen, terwijl bij de andere groep kinderen veel sterfgevallen bleven voorkomen was iedereen op de afdeling overtuigd van het nut van dit homeopathische wondermiddel.

Jaren later schreef Burnett nog een lezenswaardig boekje: “Vijftig redenen waarom ik homeopaat ben.”, waarin hij als eerste reden het geslaagde Aconitum-experiment noemt.

Nog meer “ontdekkingsreizigers”
Er zijn ook een paar recente voorbeelden van mensen die als leek zo in de ban raakten van homeopathie dat ze zich medisch gingen scholen om als arts homeopathie toe te passen.

Tinus Smits was leraar Frans in Eindhoven, de Griek George Vithoulkas was technisch ingenieur, en R.R. Sharma was professor in de kernfysica; allen verwonderden zich zo over het effect van homeopathie bij zichzelf of bij familieleden dat ze zich als arts gingen specialiseren in deze tak van de geneeskunde.

Tinus Smits is inmiddels een bekend homeopathisch arts en bovendien de drijvende kracht achter het homeopathisch ziekenhuis in Nepal; Vithoulkas gaf les aan hele generaties jonge homeopathische artsen en behandelt samen met collegae tienduizenden patiënten per jaar op zijn homeopathische polikliniek in Athene; en Sharma schreef vanuit zijn wetenschappelijke achtergrond een boek (Moleculaire biofysica van homeopathie) waarin bewezen wordt dát homeopathie werkt en ook hóe het werkt.

Het is duidelijk: iedereen die homeopathie ontdekt wil er meer van weten.